Op het gevaar af dat ik teveel weggeef volgt hier nog een hoofdstuk van de thriller die ik aan het schrijven ben. In dit hoofdstuk maken we kennis met Faisal, een kansarme jongere die steeds verder radicaliseert. Gezien de huidige gebeurtenissen in Kenia en Syrië behoorlijk actueel.

Faisal

‘Hé, pssst, meisje, ga je mee? Hé, hoer!’

Afkeurend keek Faisal naar het groepje jongens op de straathoek. Het was moeilijk voor te stellen dat hij nog geen jaar geleden zijn dagen op dezelfde manier sleet. ‘Dat we in een apenland wonen wil niet zeggen dat we ons als apen moeten gedragen,’ had de imam gezegd en Faisal had de wijsheid van die woorden ingezien. Hij passeerde de jongens en keek ze onderwijl scherp aan. Ze begroetten hem met een respectvol Salaam Alaikum. Zijn djellaba en vrome baard maakten indruk. Goed. Ze zijn nog te redden.

Faisal keek niet uit naar een hele avond bordenwassen in het restaurant van zijn oom, maar kende zijn plicht. Sinds de dood van neef Mehmet was oom Mustafa ontroostbaar. Menig avond eindigde in een hartverscheurend gebed aan Allah. Faisal bad mee. Moge Allah hem kracht en geduld schenken om dit verlies te kunnen dragen. Ameen.

 

De hete zomer waarin Mehmet het leven liet begon vroeg in april en eindigde pas in september. Overdag stoofde de zon de straten van Brussel. Iedereen die niet hoefde te werken liet zich niet zien en verschool zich in de relatieve koelte van zijn huis. Tot de avond aanbrak. Zodra de zon achter de hoogbouw verdween en de lange zwoele avond een aanvang nam, verplaatste het leven zich naar de straat. Dan stonden Faisal en Mehmet op hun vaste hoek langs Rue Vanderstichelen sigaretten te roken, te roddelen en meiden te versieren. Ze keken uit over de chaotische drukte van Boulevard Jubilé dus ze hoefden zich niet te vervelen. Er was altijd wel een verkeersruzie of een vechtpartijtje te vinden om de monotonie te doorbreken. Het was een mooie zomer om achttien te zijn.

Geld was een probleem, maar dat was het altijd. Soms liepen ze naar metrohalte Ribaucourt en verlieten ze hun wijk Molenbeek-Saint-Jean om in het centrum van Brussel wat te hosselen. Toeristen waren een gemakkelijke prooi omdat ze bij het bier slempen op de terrassen nooit hun tas in de gaten hielden. In de avondwinkel werden de sigaretten goed bewaakt, maar niets was mooier dan ongezien een dure fles whiskey in je broekband te schuiven om vervolgens met gestolen geld een pakje Marlboro af te rekenen. Kakkerlakken, zo werden ze genoemd, maar dat maakte hun daden alleen maar rechtvaardiger.

Hij kon zich goed herinneren hoe de rellen waren begonnen. Het offerfeest was net achter de rug. Het was juli, nog steeds snoeiheet en de verveling sloeg keihard toe. Ze stonden op hun straathoek en er gebeurde helemaal niets. Tot iemand, Faisal had geen idee wie, een autoruitje insloeg en een zak boodschappen van de passagiersstoel griste. Het was een zilveren Peugeot en helemaal geen bijzondere wagen, maar wel te duur voor de buurt. Het alarm ging af en dat dreinde en dreinde en toen er niemand kwam opdagen haalden een paar jongens, Faisal had geen idee wie, de auto van de handrem en duwden hem de tramrails op. Faisal wist zeker dat als er toen een tram was gekomen de chaos genoeg zou zijn geweest om de verveling te verdrijven, maar er kwam geen tram en het alarm bleef maar zeuren en dreinen en toen scheurde Mehmet een reep stof van zijn t-shirt, propte dat in een halflege fles Jack Daniels en stak het aan.

Er vormde zich een groep jongens om Mehmet heen die hem aanmoedigden. Faisal had ook geschreeuwd. ‘DOE HET, DOE HET, DOE HET!’ Met een ferme zwaai wierp Mehmet de geïmproviseerde Molotovcocktail door het verbrijzelde autoraam tegen de achterruit. De fles knalde uit elkaar in een bevredigende zee van vlammen. De achterbank stond direct in lichterlaaie en Faisal deinsde achteruit toen de hitte zijn wenkbrauwen deed schroeien.

De politie arriveerde een paar minuten later en zij troffen veertig of vijftig Marokkaanse jongens aan die in een kring rond de brandende auto stonden te lachen en te ginnegappen. De agenten probeerden vriendelijk de jongens naar een kant van de straat te dirigeren om ruimte te maken voor de brandweer. Faisal voelde een hand op zijn rug die hem lichtjes weg probeerde te duwen. Hij plantte zijn voeten wijd uiteen en bleef staan. Waarom ik? Duw die anderen weg, ik sta hier goed.

Mehmet kreeg ook een zetje maar hij draaide zich vliegensvlug om en deed net of hij een kopstoot wilde uitdelen. De schijnbeweging deed de politieman verschrikt achteruit stappen, tegen een andere jongen aan. Die duwde terug en de agent struikelde en viel. Zijn pet rolde onder luid gejoel over de tramrails. Mehmet raapte hem op en gooide het hoofddeksel als een frisbee de brandende auto in. Faisal grijnsde. Nu jullie weer. Tien minuten later stond hij stenen te gooien naar de oproerpolitie die met getrokken wapenstok een charge uitvoerde. Die nacht gingen er nog vier auto’s in vlammen op.

 

De volgende avond liep Faisal later dan gewoonlijk naar zijn straathoek. Het kat-en-muisspel met de politie had het grootste gedeelte van de nacht geduurd en daarna was hij met Mehmet een broodje gaan eten bij zijn oom. ‘s Ochtends vroeg was hij uitgeput naar bed gegaan, maar door de adrenaline die nog door zijn lichaam raasde pas tegen het middaguur in slaap gevallen.

In de verte zag hij busjes van de oproerpolitie staan en hij vroeg zich af wat dat te betekenen had. Eén avondje loltrappen was leuk geweest maar dat was nu toch klaar? De autowrakken waren weggesleept en hij had zich juist verheugd op een rustig avondje herinneringen ophalen en sterke verhalen vertellen.

Mehmet kwam verontwaardigd op hem toegelopen. ‘Die kankerlijers staan op onze hoek en jagen iedereen weg,’ zei hij. In zijn armen droeg hij plastic zakjes die met een vloeistof waren gevuld. De penetrante geur van benzine hing om hem heen en Faisal trapte snel zijn sigaret uit. ‘De popo heeft gisteren zeker nog niet genoeg op zijn donder gehad.’

De strijd verliep grimmiger dan de avond tevoren. De oproerpolitie was in grotere aantallen aanwezig en bovendien beter voorbereid. Al snel was de lucht bezwangerd van traangas en de geur van brandende autobanden. Faisal voelde zijn hartslag versnellen en liet zich gewillig meevoeren op het ritme van zijn bonkende bloed.

Triomfantelijk gooide hij zijn armen in de lucht toen een zak benzine een politieman recht in zijn smoel trof. Hij rende zich de longen uit het lijf om een uitval voor te blijven. Met acht man duwden ze een brandende auto omver. Hij raakte Mehmet kwijt en moest Rue Pierre Gassée invluchten omdat hij drie politiemannen op zijn hielen had. Hij zigzagde en sloeg weer een hoek om en rende langs de moskee over Rue de l’Escaut. Vlak voor hem gooide een man een zak benzine naar een reeds brandende auto. Diens kleren waren doordrenkt of de zak lekte maar opeens barstte het silhouet van de man voor zijn ogen in vlammen uit. Met zwaaiende armen kwam de man gillend op hem toegelopen. Faisal rende een portiek in en gooide zijn gewicht tegen een deur die als vanzelf openzwaaide. Hij tuimelde de hal van de moskee binnen en kon zich net op zijn rug draaien voor de brandende man over hem heen viel.

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>